Home » THEORIE

Muziektheorie

De muziektheorie omvat verschillende onderdelen:

Het muziekschrift Allereerst is er de algemene kennis met het aanleren en leren beheersen van het notenschrift. Hieronder vallen alle zaken die je zoal tegenkomt bij het bestuderen van de genoteerde muziek. Dit houdt ondermeer in:

  • de kennis van het (diatonische) notenstelsel,
  • de hulplijnen,
  • de notenbalk,
  • de verschillende sleutels,
  • de vorm en tijdsduur van de noten,
  • de waarde en notatie van rusten,
  • de maatsoorten (Twee- en driedelig) en
  • de waardestrepen. Maar ook
  • de tempo en karakter termen,
  • de dynamische tekens,
  • herhaling tekens,
  • de verschillende articulatie vormen en hun notatiewijze,
  • de voortekens en herstellingstekens, en natuurlijk
  • de toonladders (in het begin maj., min., en chrom.) en hun drieklanken (kwintencirkel). Dan zijn er nog
  • de intervallen,
  • de anti-metrische figuren,
  • de versieringen en eventueel een eerste begin van het transponeren.

De melodieleer wil  dat een leerling zich bewust wordt van de spanningsopbouw van een melodie. Deze melodie is meestal onder te verdelen (voor en nazin , vraag en antwoord) en moet toch als een geheel beschouwd worden. De leerling moet leren inzien dat de melodie niet gewoon een reeks noten achter elkaar is, maar een levende muzikale lijn, die een gepassioneerde en emotionele benadering vereist. Daartoe kun je een melodische analyse van een stuk maken, d.w.z. onderverdelen in frases, het hoogtepunt en dieptepunt van de melodie opzoeken (tension en release), dynamisch experimenteren, de voor en nazinnen opzoeken. Voor iedere muzikant, maar zeker voor die die denkt te gaan soleren is de akkoordenleer van een groot belang.


De akkoordenleer is de leer van de opbouw van de akkoorden in relatie met een toonladder en en zijn onderlinge afstanden. Om deze onderlinge afstanden te kunnen benoemen is een kennis van de intervallen nodig, daaruit voort komen de drieklanken, deze kunnen benoemen en kunnen zingen. De terts en de kwint zijn in feite bepalend voor de drieklank, hiermee geef je dat ook duidelijk de relatie van de drieklank en de toonladder aan. De drieklanken moeten ook in hun omkeringen behandeld worden. Wanneer er voldoende kennis is van de drieklank kan je die uitbreiden naar vierklanken. Daarbij horen ook de symbolen zoals wij die kennen voor vierklanken, en natuurlijk in een later stadium hun eventuele uitbreidingen of toevoegingen.


De harmonieleer leert de akkoorden reeksen (cadensen) binnen een bepaalde toonsoort of toonladder. Eerst moet je de toonladders kennen en de onderlinge afstanden binnen de toonladder, daaruit voort komt dan weer de intervalstudie. Deze intervallen vormen bij stapeling de akkoorden. Nu moet de leerling weten welke akkoorden er voorkomen op de verschillende trappen van een toonladder en deze kunnen benoemen. Nu kan je de cadensen analyseren en leren spelen op je instrument. Hierbij is het van belang dat de leerling leert om terug te redeneren, bijna alle ingewikkelde akkoordprogressies zijn terug te redeneren tot een eenvoudige cadens binnen een toonladder of toonsoort.