Home » HISTORIE

DE TROMPET IN DE OUDHEID

Ongeveer 4000 jaar v. Chr.

DE MEGAFOON

Deze trompet had geen mondstuk en  geen beker en was gemaakt van een holle  tak of bamboe. Deze had geen muzikale functie maar had tot doel de menselijke stem te versterken.

Een later voorbeeld is de TROMBA MARINA, die op schepen werd gebruikt. Onduidelijk is wanneer de evolutie van de megafoon tot de eerste echte trompet leidde.

Deze eerste echte trompetten maakten zulke angstaanjagende klanken dat deze geassocieerd werden met allerlei magische en godsdienstige rituelen: besnijdenissen, begrafenissen en zonsondergang. Ze werden alleen door mannen bespeeld en zodoende met het mannelijke geslacht geïdentificeerd.

Zulke trompetten vindt men nu nog bij de oerculturen van Nieuw-Guinea, Noordwest-Brazilië en Australië.


DE SCHELPTROMPET

De primitieve mens gebruikte naast de ruwe buisvormige trompet ook grote schelpen. Het spiraalvormige gedeelte vervangt de buis en de natuurlijke opening van de beker.

Een vroeg type schelptrompet wordt toplings geblazen en het mondgat ervan werd uitgesneden in het midden van het ronde uiteinde. In een latere vorm. die ontstond tegen het einde van de jaartelling voor Christus. werd het mondgat in de zijkant uitgesneden. De trompet werd dus zijdelings aangeblazen. In sommige landen, zoals in het oude Peru. werden de schelptrompetten vervangen door trompetten van klei in de vorm van een schelp. In eerste instantie werden deze gebruikt als megafoons. De magische en niet-magische toepassingen hebben een nog grotere verscheidenheid dan die van de buisvormige trompet.

  • Centraal Amerika: Twee vormen trompetten kwamen voor:

1 - Toplingsgeblazen schelptrompetten die gebruikt werden door priesters;

2 - Rechte trompetten uit hout, riet of klei, soms voorzien van een kalebas die als beker diende. 

  • Zuid Amerika: Trompetten werden gemaakt van zeeschelpen. hout of klei.
De schelptrompet was een toplings geblazen strombus met of zonder metalen mondstuk. zoals in Azië. Soms werd de schelpvorm van klei nagemaakt. Enkele zijdelings geblazen trompetten, gemaakt van de triton of tritoniszeeschelp. zijn in Peru opgegraven. Dit is zeer merkwaardig, aangezien deze zeeschelp nooit te vinden is aan de Westkust van Zuid Amerika.
 
Buisvormige trompetten komen voor als rechte buizen van hout zonder enig mondstuk en zonder beker, en als gewonden trompetten van klei, soms met alleen een geringe verbreding aan het uiteinde soms met een beker die de kop van een jaguar voorstelt of zelfs een menselijke vorm heeft.
Zeer korte trompetten, recht en van klei, zijn bewaard gebleven in de oude begraafplaatsen van Nasca, d.w.z. in de oudste laag van de Peruaanse beschaving. Een zilveren trompet in het Etnografisch museum in Berlijn is 77 cm lang en eindigt in een trechtervormige beker.

DIERHOORNTROMPET   2500 v.chr

PRIMITIEVE DIERHOORNS

De koe-, stier- en ramshoorns bestonden enkel uit een hoorn waarvan de top was afgenomen. Dit resulteerde in een ruw geluid. Ze werden gebruikt voor signalen en rituelen.

Ook van de stootslagtanden van olifanten werden op dezelfde manier als bij de dierhoorns blaasinstrumenten gemaakt. (ong. 1400v. Chr. in Zuid-Amerika en Afrika) en zelfs gemaakt van hout (bv. uit boomstammen).


BRONZEN HOORNS  1500 v.C. de jongste zijn van  800 v.C.


ARDHARC

  • DE EGYPTENAREN De Egyptische trompetten, genaamd SNB in hiërogliefen, werden van een geel metaal gemaakt en hadden een conische vorm en een tamelijk wijde beker. Ze waren ongeveer 60 cm lang en waren min of meer gestemd zoals onze moderne instrumenten: de grondtoon kan bij benadering C geweest zijn. Ze konden waarschijnlijk niet meer noten produceren dan deze; het hogere octaaf en zijn duodecime.

 Ze hadden geen aangenaam geluid. Ze zijn voor het eerst afgebeeld ca. 1415 v.Chr., waarbij het instrument gebruikt wordt door soldaten. Het instrument diende echter niet alleen voor militaire doeleinden.

De uitvinder van deze trompet zou de god Osiris geweest zijn. Het instrument werd dan ook bij de verering van deze god gebruikt. Koning Amenhotep (1400 v.Chr.) kreeg van zijn collega Toesjratta 40 met goud beklede hoorns die waren ingelegd met edelstenen. In het graf van Toet-ank-amon zijn twee zilveren trompetten van 58 en 50 cm lang gevonden. Ze hebben een conisch verloop en een wijde beker, maar geen echt mondstuk. Men heeft echter wel een soort afronding een het uiteinde van de mondpijp gemaakt.

  •  DE ASSYRIËRS Dit gewelddadige volkje (1160-625 v. Chr.), dat in 670 v. Chr. op het hoogtepunt van hun macht stond, kende ook een trompet.
  • De Israeliërs Uit het oude testament blijkt dat de trompet bij de Israëlieten alleen door de priesters bespeeld werd. In het vierde boek van Mozes hoofdstuk 10, vers 1 en 2, staat geschreven: "En de Heer sprak tot Mozes: Maak jezelf twee trompetten uit zilver ....".

 De trompet gold als een heilig instrument. De kerkvaders identificeerden de klank van een trompet met de stem van een engel of de stem van God. Mozes schrijft in het tiende hoofdstuk van zijn boek nog het volgende over het gebruik van de trompet: "Ze worden gebruikt om alarm te blazen, bijeenkomsten aan te kondigen en dankoffers te begeleiden".

 De trompet van de Israëlieten wordt de Hasosra genoemd en haar uiterlijke vorm kwam overeen met de Egyptische trompet. Zij wordt beschreven als een rechte buis, iets minder dan een ellepijp lang (45,72 cm) en eindigde in een uitlopende beker. De trompet, Chazozra genaamd, werd op twee verschillende manieren aangeblazen, nl. gepraat en gebuzzd. Bij het praten komt het geluid uit de keel (stembanden) en dus een techniek zoals nu nog bij de kazoo het geval is. Buzzen is jargon voor het in trilling brengen van de lippen, zodat de omringende lucht ook gaat trillen. En trillende lucht betekent klank.

De Sjofar De sjofar is een gewone hoorn van een geit of een ram zonder mondstuk. Hij wordt gestoomd tot hij zacht is en dan geplet en scherp gebogen. Hij geeft slechts twee natuurtonen. Het is het enige in de Joodse eredienst van heden bewaard gebleven instrument.

  • De Etrusken De Etrusken waren een muziekliefhebbend volkje. Hun fluiten lokten het wild in de val en was tegelijkertijd een militaristisch instrument. De drie Romeinse trompetvoorgangers Tuba, Lituus en Cornu (zie De Romeinen) stammen van deze Etruskische instrumenten, die bij processies bespeeld werden. Hun waarzeggers geloofden, dat de trompet de wil van de Goden en zelfs het einde van de wereld verkondigden.

Deze trompet werd gebouwd van twee soorten materiaal:(1)tot aan 100 na Chr. van brons en als zodanig verwant aan de Keltische Karnyx, waarbij de beker een dierlijke kop uitbeeldde.

In het grote keizerrijktijdperk (tot aan 476 na Chr.) van een dierlijke hoorn gedecoreerd met zilver, zoals de buccina. Het schijnt dat dit instrument meer een religieuze en civiele dan een militaire functie had. Overgebleven trompetten zijn 78, 79,5 en 140 cm lang. De oervorm bestaat nog in Ethiopië en in de binnenlanden van Birma
  • De Romeinen De Romeinen hadden meerdere koperblaasinstrumenten, waarvan er twee met de trompet vergeleken kunnen worden. alle  koperinstrumenten die van de Etrusken overgenomen waren, waren van brons en hadden afneembare mondstukken.

De Tuba was langer dan de Chazozra (zie De Israeliërs), maar korter dan de Salpinx (zie De Grieken). In een museum in Rome ligt nog een exemplaar van 117 cm lang. De Tuba was conisch, want de buis begint bij 1 cm doorsnee, en eindigt bij de beker met 2,79 cm doorsnee.

De Lituus kon groot en klein zijn. Er waren drie lengten, nl 78 cm, 79,5 cm en 140 cm.

Ze waren alledrie gemaakt van een lange buis, met daaraan vastgemaakt een dierhoorn als beker. Zo had de Lituus een J-vorm.

De Cornu  een lang, gebogen bronzen instrument met een G-vorm, is een derde voorbeeld van een Romeins koperblaasinstrument. Maar slechts lastig te vergelijken met een trompet. Ze had een nauwe, geleidelijk conisch verlopende boring met een slanke beker. Een houten dwarsbalk, die de middenlijn vormde, rustte op de linker schouder van de speler en werd vast gehouden met de linker hand, terwijl de rechter hand het mondstuk tegen de lippen duwde. De buis boog over het hoofd heen en de beker was recht naar voren gericht.

 De buizen zijn drie meter lang en lijken op de Franse hoorns in G (dus niet echt een trompet). In Pompei zijn in goede staat bewaard gebleven exemplaren gevonden.

De Romeinse trompetten waren legerinstrumenten.

 Zo was de Tuba het instrument van de Infanterie (voetsoldaten) en de Lituus het instrument van de Cavalerie (Soldaat te paard). De lituus had evenals de buccina een hoekvorm, waarmee deze vaak verward wordt.

 

  • De Grieken Ondanks dat we over de Griekse muziektheorie in verhouding veel weten, weten we haast niks over de Griekse gebruiken van de trompet, de zgn salpinx Het schijnt een echt militaristisch instrument te zijn geweest. trompetspelen was trouwens ook een Olympische sport. Ene Achian heeft daar zelfs voor zijn bijzondere talenten een erezuil gekregen.

De Salpinx stamt uit de tweede helft van de vijfde eeuw voor Chr. en ligt momenteel in "the Museum of fine Arts"in Boston. Dit exemplaar is met zijn 157 cm langer dan de Israelische Chazozra, bestaat uit dertien delen van elfenbeen, die door bronzen ringen op hun plaats wordt gehouden.

 De fraai vormgegeven beker is gemaakt van  brons net als het mondstuk, dat eigenlijk meer een uitweiding van de hoofdbuis is.

 De klank mag worden beschreven als "schreiend", "schreeuwend".

 

DE BUCCINA (buisina)

De buccina was evenals de lituus een hoektrompet gemaakt van een rietstengel of van een gelijksoortig materiaal met een beker van een dierlijke hoorn.

  • De muziek van een legioen bestond uit Tubae, Cornua en Buccinae (waar grote onduidelijkheid over bestaat). De Tuba gaf de aanval en terugtrekking aan, terwijl de Cornua gebruikt werden om de beweging van de  vlaggen aan te geven. De laatstgenoemde was alleen bestemd voor de hoogste officieren. De klank van de Romeinse instrumenten moet allesbehalve aangenaam geweest zijn. Oude geschriften beschrijven de klank van de Tuba zelfs als "angstaanjagend", "verschrikkelijk", "rauw" en "ruw". Deze instrumenten moeten logischerwijs onder hoge druk bespeeld zijn. Er waren zelfs Tuba-spelers die een zgn. Capistrum om deden, om te voorkomen dat ze hun wangen opbliezen. Ook in de Arena´s deden de Romeinse instrumenten hun intrede. De Tuba werd samen met de Cornu en het Romeinse Waterorgel bij gladiatorgevechten ten gehore gebracht. De Tuba was tevens een religieus instrument, dat bij bijvoorbeeld offerandes werd bespeeld. Daar werd jaarlijks ook nog een Trompetterfeest (Tubilustrium) bij georganiseerd.

De buccina of bucina is een gebogen blaasinstrument, dat ruim drie meter lang kon zijn. Halverwege zat er een houten lat zodat het instrument op de schouder van de speler kon steunen,

In de Romeinse Tijd werd hij dan ook gebruikt als begeleiding bij gladiatorenwedstrijden. Met de instorting van het Romeinse Rijk ging de kunst van het buigen van de buis voor honderden jaren verloren. Voor een lange tijd waren metalen hoorns altijd recht omdat niemand meer wist hoe ze te buigen.

Tenslotte, rond de start van de 14de eeuw herontdekte iemand de methode van buigen van metalen buizen. Spoedig werden mensen hierdoor gefascineerd. De kunst om metalen hoorns te buigen verscheen in de meest fantastische vormen. Men maakte er een bruikbaar instrument van, zodat nog hogere natuurtonen erop gespeeld konden worden.

De evolutie van de buccina ging twee richtingen uit. Enerzijds had men de buccina met een lange rechte smalle cilindrische buis met een aparte beker, hieruit ontwikkelde zich de trompetten en de trombones. Anderzijds had de buccina een lange steeds breder wordende buis die direct in een beker overging, deze kon eveneens afgenomen worden. Hieruit werden later de hoorns ontwikkeld. Beiden werden voorzien met een ketelvormig mondstuk.

In de loop van de tijd werd hij steeds meer gebruikt bij de jacht en groeide dan ook uit tot jachthoorn. Voor het gemak van de ruiters tijdens de jacht werd de hoorn ook steeds meer met de beker naar achteren gespeeld, hetgeen ook nu in orkesten nog steeds gebeurt. De ronde opgerolde vorm was ook erg handig voor het meenemen van het instrument, het kon namelijk over de schouder gedragen worden

ROMEINSE TUBA

De Romeinse tuba is een militaire signaaltrompet, niet te verwarren met de moderne tuba, welke pas in de 19e eeuw is ontstaan. De Romeinse tuba (van het Latijnse woord tubus dat buis betekent) werd geproduceerd rond 500 voor Christus. De vorm was recht, in tegenstelling tot het cornu of de buccina die net als de moderne tuba meer gebogen rond het lichaam liepen.

De tuba was ongeveer 120 centimeter lang en aan het eind liep deze uit in een kleine beker. Zij werd meestal gemaakt van brons met aan het begin een eenvoudig afneembaar mondstuk gemaakt van been. De oorsprong wordt toegeschreven aan de Etrusken. De tuba is vergelijkbaar met de Griekse salpinx.


GERMAANSE LURE

Een lure is een blaasinstrument uit de Noordse bronstijd.[1]

Het instrument bestaat uit een mondstuk, een buis en een sierschijf. Tijdens het spelen dient deze schijf boven het hoofd te worden gehouden. Dit is ook te zien op rotstekeningen die zijn aangetroffen in Scandinavië. Luren zijn vooral gevonden in de Scandinavische landen. Bij veenafgravingen zijn luren aangetroffen die in graven waren bijgelegd.[2]

 

  • De Oergermanen Uit de Bronstijd van de Oergermanen (1500-400 v. Chr.) zijn bijzondere koperblaasinstrumenten overgebleven. De Oergermanen stammen, samen met hun Luren uit Noorwegen, Zweden, Denemarken, Noord-Duitsland en Ierland. De grootste, Lurenverzameling ligt momenteel in het "Nationale Museum van Denemarken" in Kopenhagen.

De oorspronkelijke vorm van de Lure moet een mammoetslagtand geweest zijn die met metaal bewerkt werd. Hieruit ontwikkelde zich een Lure van brons. De buis is hoofdzakelijk conisch en eindigt niet in een beker, maar in een soort bord welk versierd werd met halve bolletjes.

Aan het mondstuk is te zien, dat die een evolutie heeft doorstaan. De eerste waren niet meer dan een uitweiding van de hoofdbuis. De latere waren exemplaren met haast een moderne boring en vorm.


KELTISCHE CARNYX

  • De Kelten Ook de Kelten hadden een trompetachtig instrument in dienst, de Carnix Zij ontwikkelden zich net als de Romeinse Lituus met een verbinding tussen een bronzen buis en een koehoorn. De jongste van deze instrumenten hadden een fraai versierde beker in de vorm van een drakenhoofd en zijn moeten in Rome de Romeinse Lituus hebben beïnvloed, omdat deze het drakenhoofd later overnam.

De carnyx was een koperen blaasinstrument dat tijdens de IJzertijd werd gebruikt door onder meer de Kelten en de Daciërs. Het instrument lijkt op een lange trompet, met een beker in de vorm van een dierenkop, vaak een wild zwijn. Het werd onder andere gebruikt bij oorlogsvoering, waarschijnlijk om de troepen op te hitsen voor de strijd en om de tegenstander te intimideren. De carnyx werd in verticale positie bespeeld, waardoor de tonen over de hoofden van de troepen of deelnemers bij ceremonies konden klinken. Archeologische vondsten bevestigen het gebruik van de carnyx tussen ca. 300 voor Chr. tot 200 na Chr.

Archeologische vondsten

De naam van het instrument is bekend uit oude geschriften. Zo staat er een vermelding in het verslag van de Keltische aanval op Delphi in 279 voor Chr. Ook komt het instrument voor in teksten over de veldtocht van Julius Caesar in Gallië en de invasie van Groot-Brittannië door Claudius. De bekendste afbeelding van een carnyx is die op de Ketel van Gundestrup, maar er zijn ook munten teruggevonden waarop het instrument is weergegeven.

In 1816 werd op de kusten van de Moray Firth-inham in Aberdeenshire, Schotland, een goed bewaard gebleven exemplaar teruggevonden dat de Deskford Carnyx werd genoemd. Tot 2004 werden nog vier andere carnyxen gevonden. In november 2004 ontdekten archeologen in Tintignac (in het Franse Corrèze) echter vijf exemplaren in goede staat, tussen funderingen van een Gallisch-Romeinse tempel uit de eerste eeuw v. Chr. Vier van die instrumenten hadden monden in de vorm van wilde zwijnen, de vijfde leek op een slang.[1]

Naast de Kelten gebruikten onder meer

  • de Daciërs de carnyx. Op de Zuil van Trajanus staan verschillende exemplaren afgebeeld in de Dacische Oorlogen door de Romeinen waren buitgemaakt. Waarschijnlijk was het instrument in de IJzertijd in heel Europa in gebruik. De Grieken kenden het instrument eveneens als carnyx (κάρνυξ) en de lituus was een Romeins equivalent. Afbeeldingen van Carnyx-spelers op ornamenten van de Grote Stoepa in Sanchi, geven aan dat het instrument ook daar bekend was, waarschijnlijk via reizende Keltische huurlingen of andere groepen.[2]