Home » BLAAStechniek » toonvorming » lipbindingen

lipbindingen

De lipbinding is een door geluid aan elkaar verbonden tonenreeks, zonder tussenaanzet, die wordt uitgevoerd zonder gebruik te maken van de ventielen. Bij het correct uitvoeren van een dergelijke legato passage zijn de verschillende tonen verbonden door het geluid. Het enige breekpunt in het geluid is de tijd die nodig is (en deze is minimaal) om van het ene tooncentrum in het andere te "schieten".

Voor het maken van een lipbinding is de positie van de achterkant van de tong van groot belang. Deze kan immers de snelheid van de lucht beïnvloeden.

Om iemand te laten ervaren wat de verschillende tongposities zijn, kan je intervallen fluiten. Hierbij kun je duidelijk het op en neergaan van de achterkant van de tong voelen.

  • De meest gebruikte methode is de zgn. vocale methode. Deze methode gaat uit van het uitspreken van klinkers,
  1. de O voor het lage register,
  2. de A of U voor het middenregister, 
  3. de I voor het hoge register en
  4. de CHI voor het extreem hoge register.

De verschillende tongposities kunnen echter alleen van nut zijn als er sprake is van een goede gecontroleerde ademsteun.

  • De tongpositie moet te allen tijde gezien worden als een versterkende factor van de ademstroom. Bij het niet goed functioneren van de ademstroom tijdens het uitvoeren van lipbindingen kan de neiging ontstaan om het mondstuk hard tegen de lippen te duwen. Dit moet voorkomen worden. Het is goed om lipbindingen te combineren met brede (portato) aanzetten. Hierdoor blijft het "luchtcontactgevoel" goed intact en zal de neiging om hard te drukken of de keel aan te spannen afnemen.
  • Het embouchure moet tijdens het uitvoeren van een lipbinding relatief ontspannen aanvoelen. De mondhoeken moeten in principe niet bewegen. Als dat al gebeurt, dan moet het een inwaartse beweging zijn. De leerling mag de volgende noot nooit voorbereiden. Elke noot moet op zichzelf staan en goed gevuld worden met lucht. Bij het spelen van een lipbinding moet de voorgaande toon altijd centraal staan. Deze is de basis voor de volgende.
  • De intonatie, het spelen in de kern van een toon, speelt hierbij een grote rol.

Bij een stijgende binding bestaat veelal de neiging om iets te hoog te intoneren en bij een dalende binding intoneert men veelal iets te laag. Dit kan de trompettist lelijk opbreken. Het is immers alleen mogelijk om van de ene natuurtoon in de andere te schieten als deze zuiver en in de kern gespeeld wordt. Je kan dit probleem ondervangen door na een lipbinding enkele aanzetten of een liptriller te maken. Ook kan je de toon opzettelijk naar beneden dwingen (binnen het tooncentrum) en dat steeds als het vals klinkt te herhalen. Uiteindelijk is het de bedoeling dat de trompettist van iedere toon die hij of zij speelt het tooncentrum kent, voelt en hoort alvorens hij de toon werkelijk aanzet of in een lipbinding-verband produceert.

 

  • Het is aan te bevelen om bij het studeren van lipbindingen binnen de natuurtonenreeks veel aandacht te besteden aan de laagste kwint en kwart-intervallen. Deze zijn immers vanwege hun grote afstand het zwaarst uit te voeren. Bovendien draagt het bij aan een meer ontspannen embouchure over het hele bereik. Speel de diverse lipbindingen tijdens de studie nooit te hard. Het geluid moet regelmatig en constant zijn over het hele bereik, tenzij anders voorgeschreven. Het goed leren uitvoeren van de lipbindingen en liptrillers (een snelle lipbinding over een kleine of grote secunde) vereist veel geduld en de wil om hard en lang te werken, maar als het eenmaal tot de mogelijkheden behoort, dan is er een grote stap gemaakt en dat is natuurlijk het zo goed mogelijk leren beheersen van het instrument, de trompet.