Home » BLAAStechniek » embouchure » 2. gebit en kaak

2. Gebit en kaak

Het gebit en de kaak

Je kan met trompetspelen niet vroeg genoeg beginnen. De tanden moeten wel gewisseld zijn, als dat niet het geval is en er wordt toch gespeeld dan kan dat scheefgroei aan het gebit veroorzaken. Vier sterke, gelijke en gezonde voortanden mag als ideaal worden beschouwd. Een ruimte tussen de twee voortanden levert, mits het geen groot gat is, geen enkel probleem op. Bij een scheef en onregelmatig gebit kunnen er zich problemen voordoen. Deze zijn bijna altijd overkomelijk door bijvoorbeeld het mondstuk op een andere plek te zetten.

Het is de bedoeling een zo laag mogelijke druk uit te oefenen op de lippen, ook is het beter om de mondstuk druk zo gelijk mogelijk te verdelen over de boven- en onderlip.

Bij de bovenbite, steekt de bovenkaak over de onderkaak heen en bij de underbite andersom. Het spelen met dergelijke kaakposities hoeft geen enkel probleem op te leveren. Het zogenaamde 'in positie brengen van de kaak' kan veel problemen, veroorzaakt door fysieke handicaps, de kop indrukken. Door de onderkaak een weinig naar achter of naar voren te bewegen kan het oppervlak, waarop het trompetmondstuk gezet wordt, vlak worden. In het begin zal dit als onnatuurlijk aanvoelen maar na verloop van tijd (mits het niet te geforceerd gebeurt want dan kan het blessures veroorzaken) zal het als een natuurlijke positie aanvoelen.